EINDTERMEN TWEEDE FASE HAVO
AARDRIJKSKUNDE
Domein D: Natuur en milieu Subdomein: Werking en gebruik van het natuurlijk milieu De kandidaat kan 16. de aard en omvang van de milieugebruiksruimte relateren aan de eigenschappen van het natuurlijke milieu en de voorwaarden voor duurzame ontwikkeling.
- de structuur en de werking van ecosystemen op verschillende schaalniveaus beschrijven (lokaal, regionaal, fluviaal, continentaal en mondiaal).
- invloeden van menselijke activiteiten op die verschillende schaalniveaus beschrijven (verontreiniging, aantasting, uitputting).
- verstoringen van het ecologische evenwicht binnen een ecotoop analyseren en voorspellen;
- voor de inwoners van Nederland en van een ontwikkelingsland vaststellen wat de omvang is van de verschillende hulpbronnen, die de milieugebruiksruimte vormen.
Hij betrekt daarbij
- interne en externe hulpbronnen met een voorraadkarakter;
- hulpbronnen met een stroomkarakter.
- voorwaarden inventariseren die nodig zijn voor de instandhouding of vergroting van de hulpbronnen bodem en zoet water.
Hij betrekt daarbij
- relevante ontwikkelingen in de samenleving, zoals bevolkingsontwikkeling, ontwikkeling van de welvaart (productie en consumptie), technologische ontwikkelingen, en de belasting van het natuurlijke milieu.
Subdomein: Veranderingen in het natuurlijk milieu op lange termijn De kandidaat kan 17. veranderingen in het natuurlijke milieu door menselijke activiteiten relateren aan natuurlijke veranderingen op lange termijn.
- klimaatveranderingen op verschillende tijdschalen van elkaar onderscheiden;
- de hoofdoorzaken van de klimaatveranderingen beschrijven;
- de menselijke activiteiten die van invloed zijn op de energiebalans en de algemene luchtcirculatie beschrijven;
- de huidige klimaatveranderingen relateren aan menselijke invloeden en natuurlijke veranderingen op lange termijn.
Hij betrekt daarbij
- de geologische- en historische tijdschaal.
BIOLOGIE
Domein B: Factoren in ecosystemen Subdomein: Organismen in relatie tot elkaar en hun omgeving De kandidaat kan 2. de betekenis en invloed van de abiotische factoren in een beschreven ecosysteem uitleggen in het bijzonder:
- licht;
- temperatuur;
- lucht;
- (oppervlakte)water;
- bodem.
Domein D: Stofwisseling Subdomein: Energiestromen en kringlopen De kandidaat kan 57. uitleggen dat de zon de belangrijkste energiebron is voor het leven op aarde. 67. de rol uitleggen van producenten, consumenten en reducenten in de kringloop van koolstof en die van stikstof aan de hand van schema’s van deze kringlopen in het bijzonder:
- fotosynthese;
- omzetting van glucose in andere organische stoffen;
- vorming van stikstofhoudende organische stoffen;
- afbraak van organische stoffen tot eenvoudige anorganische stoffen.
68. menselijke activiteiten noemen die:
- het ’zure regen’-probleem veroorzaken (onder meer overbemesting);
- het broeikaseffect veroorzaken (onder meer verbrandingsprocessen).
69. voorbeelden van menselijk gedrag beschrijven die bijdragen aan oplossingen voor milieuproblemen. 71. effecten aangeven van menselijke activiteiten op de koolstofkringloop en de stikstofkringloop.
NATUURKUNDE
Domein B: Elektrische processen Subdomein: Veilig omgaan met elektriciteit De kandidaat kan 1. toepassingen van het gebruik van elektriciteit beschrijven in de gezondheidszorg en techniek:
- opwekking van warmte;
- magnetische werking.
Subdomein: Opwekking en transport van elektrische energie De kandidaat kan *18. uitleggen hoe in ons eigen land, maar ook elders in de wereld, de elektriciteitsvoorziening wordt gerealiseerd:
- verschillende soorten energiecentrales;
- hoogspanningsnet;
- rendement van energieopwekking en transport;
- milieu-effecten.
Domein E: Materie en energie Subdomein: Energie De kandidaat kan 54. macroscopische verschijnselen verklaren met behulp van modellen van de materie:
- temperatuur en warmtetransport (atomen en moleculen);
- elektromagnetische straling (atomen);
- ioniserende straling (atoomkernen).
55. berekeningen maken met de energiebalans:
- soortelijke warmte, warmtecapaciteit;
- verwarming van ruimtes;
- warmtehuishouding van het menselijk lichaam.
56. de werking van warmte-isolerende maatregelen verklaren aan de hand van de verschillende vormen van warmtetransport:
- geleiding en stroming;
- straling;
- isolatiemateriaal, thermoskan, ruimteverwarming.
57. het rendement van energieomzettingen berekenen. 58. onderzoeken op welke wijze het rendement van energie-omzettingen kan worden verhoogd:
- wet van behoud van energie;
- rendement van energie-omzettingen.
59. aan de hand van verzamelde informatie factoren bespreken die een rol spelen bij het duurzamer gebruik maken van energie in situaties van verkeer en vervoer:
- opslag van energie in een vliegwiel;
- energiegebruik en massa;
- hergebruik van materialen;
- dilemma tussen energiegebruik en veiligheid.
Subdomein: Kernenergie en techniek De kandidaat kan *66. de werking van de röntgenbuis verklaren:
- thermische emissie van elektronen;
- versnelspanning en kinetische energie;
- omzetting van kinetische energie in straling bij de anode;
- omrekenen van eV in joule.
*67. de werking van een kerncentrale verklaren:
- reactievergelijkingen;
- kettingreactie, kritiek zijn, verrijkt uranium;
- veiligheidsvoorzieningen bij winning, transport, gebruik, opwerking en afval.
*68. aangeven hoe de energieproductie in de zon tot stand komt:
- kernfusie;
- ontstaan van elementen, reactievergelijking.
*69. voor- en nadelen noemen van het gebruik van kernenergie op grote schaal en in de hele wereld:
- splijtstofcyclus, afvalprobleem;
- beargumenteerde mening vormen;
- risico's beoordelen en afwegen.
SCHEIKUNDE
Domein C: Stoffen en materialen 2, organisch Subdomein: Andere toepassingen van koolstofverbindingen De kandidaat kan: 17. voorbeelden noemen van producten afkomstig uit de aardolie en steenkool verwerkende industrie en de toepassing daarvan:
- brandstoffen: lpg, benzine, dieselolie, stookolie, kerosine, cokes;
- asfalt;
- smeermiddelen;
- grondstoffen voor de chemische industrie.
18. argumenten noemen voor de keuze tussen het gebruik van aardolie als bron van brandstoffen of als leverancier van grondstoffen voor chemische producten. 19. de vorming van fossiele brandstoffen beschrijven als een proces waarbij energie van plantaardige en dierlijke oorsprong wordt opgeslagen:
- steenkool;
- aardolie;
- aardgas.
20. alternatieve brandstoffen noemen:
- (bio)alcohol;
- biogas;
- waterstof.
21. de voor- en nadelen van het gebruik van de in de eindtermen 19 en 20 genoemde brandstoffen beargumenteren:
- milieu;
- winning;
- opslag en transport.
22. de invloed van de toepassing van fossiele en alternatieve brandstoffen op het koolstofdioxide-gehalte van de atmosfeer aangeven:
- mogelijke invloed op het broeikaseffect.
23. de begrippen volledige en onvolledige verbranding onderscheiden en de consequenties voor het milieu van beide aangeven:
- uitstoot van koolstofdioxide;
- NOx;
- koolstofmono-oxide;
- roet;
- onverbrande koolwaterstoffen.
Domein F: Chemische industrie Subdomein: Het maken van stoffen 77. kenmerken geven van productieprocessen waarbij sprake is van duurzame ontwikkeling en van een beschreven proces deze kenmerken aangeven:
- hernieuwbare grondstoffen;
- recycling van afvalstoffen;
- onuitputtelijke voorraad.
volgende pagina vorige pagina terug naar Leerlijn
|