 |
EINDTERMEN TWEEDE FASE VWO
AARDRIJKSKUNDE
Domein F: Mens en milieu Subdomein: Werking en gebruik van het natuurlijke milieu De kandidaat kan 24. de manier waarop de mens omgaat met het natuurlijke milieu beoordelen in het licht van duurzame ontwikkeling.
- de structuur en de werking van ecosystemen op verschillende schaalniveaus beschrijven (lokaal, regionaal, fluviaal, continentaal en mondiaal).
- invloeden van menselijke activiteiten op die verschillende schaalniveaus beschrijven en verklaren (verontreiniging, aantasting, uitputting).
- eisen formuleren, waaraan een samenleving moet voldoen om tot duurzame ontwikkeling te komen en daaromtrent een beargumenteerd standpunt verwoorden.
Hij betrekt daarbij
- relevante ontwikkelingen in de samenleving, zoals bevolkingsontwikkeling, ontwikkeling van de welvaart (productie en consumptie), technologische ontwikkelingen, en de belasting van het natuurlijk milieu.
25. de omvang van de beschikbare milieugebruiksruimte vaststellen.
- voor de inwoners van Nederland en van een ontwikkelingsland vaststellen wat de omvang is van de verschillende hulpbronnen, die de milieugebruiksruimte vormen.
Hij betrekt daarbij
- interne en externe hulpbronnen met een voorraadkarakter;
- hulpbronnen met een stroomkarakter.
- maatregelen aangeven die men kan nemen om de milieugebruiksruimte ten aanzien van bodem en zoet water te handhaven dan wel te vergroten.
Hij betrekt daarbij relevante ontwikkelingen in de samenleving, zoals bevolkingsontwikkeling, ontwikkeling van de welvaart (productie en consumptie), technologische ontwikkelingen, en de belasting van het natuurlijke milieu.
Subdomein: Ruimtelijke afwentelingsprocessen De kandidaat kan 26. de manieren waarop mensen de nadelige gevolgen van hun handelen voor het natuurlijke milieu afwentelen op volgende generaties en andere gebieden analyseren en beoordelen.
- van natuurlijke processen en menselijk handelen aangeven op welk schaalniveau ze zich afspelen (lokaal, regionaal, fluviaal, continentaal en mondiaal).
- in voorbeelden herkennen of er sprake is van ruimtelijke afwenteling.
- maatschappelijke achtergronden aangeven bij het verklaren van ruimtelijke afwentelingsprocessen en daaromtrent een beargumenteerd eigen standpunt verwoorden.
- voor een gegeven situatie een onderbouwde verwachting aangeven met betrekking tot de vraag waar ruimtelijk en in de tijd gezien, problemen gaan ontstaan doordat menselijke activiteiten niet meer door het natuurlijke milieu kunnen worden opgevangen.
Hij gaat daarbij uit van:
- een gegeven gebied en geschetste ontwikkelingen.
Domein G: Actieve aarde Subdomein: Klimaat en klimaatveranderingen De kandidaat kan 29. het klimaat op wereldschaal en klimaatveranderingen op verschillende schaalniveaus beschrijven en verklaren.
- de processen die verantwoordelijk zijn voor het bestaande klimaat op aarde beschrijven.
- verschillende opvattingen over de factoren die op een bepaalde schaal en een bepaalde tijdsorde sturend zijn voor klimaatveranderingen aangeven.
- klimaatveranderingen signaleren door het gebruik van verschillende (gesimuleerde) onderzoekstechnieken.
Hij betrekt daarbij
- veranderingen in de energiebalans en de algemene luchtcirculatie;
- veranderingen in de relatie aarde-zon, de koolstofbalans, de ligging van de continenten, de zeestromen en menselijke activiteiten;
- (gesimuleerde) onderzoekstechnieken, bijvoorbeeld uit de paleogeologie, paleoklimatologie (O16/O18), geomorfologie, palynologie, dendrochronologie en geschiedenis.
Subdomein: Ontwikkeling van het leven De kandidaat kan 30. de ontwikkeling van het leven op hoofdlijnen mede verklaren vanuit de verplaatsing van continenten of continentdelen en klimaatveranderingen.
- aan de hand van voorbeelden (afbeeldingen of handstukken) belangrijke gidsfossielen herkennen.
- fossielen plaatsen op de tijdschaal van de ontwikkeling van het leven;
- de ontwikkeling van het leven op aarde beschrijven in relatie met de continentverplaatsing en bijbehorende klimaatveranderingen.
Hij betrekt daarbij
- het ontstaan of verbreken van verbindingen tussen aardkorstdelen (contact of isolatie); - klimaatveranderingen;
- de rol van inslaande meteorieten.
BIOLOGIE
Domein D: Metabolisme* Subdomein: Energie en materie* De kandidaat kan 69. uitleggen dat de zon de belangrijkste energiebron is voor het leven op aarde. 74. aangeven dat door gescheiden plaatsen van productie en gebruik, door gebruik van fossiele brandstoffen en door oogsten kringlopen binnen een ecosysteem worden onderbroken of verstoord in het bijzonder:
- onttrekken of toevoegen van elementen aan kringlopen.
78. de rol uitleggen van producenten, consumenten en reducenten in de kringloop van koolstof en in die van stikstof aan de hand van schema's van deze kringlopen in het bijzonder:
- fotosynthese;
- omzetting van glucose in andere organische stoffen;
- vorming van stikstofhoudende organische stoffen;
- afbraak van organische stoffen tot eenvoudige anorganische stoffen.
80. menselijke activiteiten noemen die:
- het ’zure regen’-probleem veroorzaken (onder meer overbemesting);
- het broeikaseffect veroorzaken (onder meer verbrandingsprocessen).
81. voorbeelden van menselijk gedrag beschrijven die bijdragen aan oplossingen voor milieuproblemen. 83. effecten aangeven van menselijke activiteiten op de koolstofkringloop en de stikstofkringloop.
Domein E: Dynamiek en homeostase Subdomein: Dynamiek in ecosystemen* 159. aangeven dat successie in ecosystemen verloopt in de richting van een climax-ecosysteem en uitleggen welke rol klimaat en natuurlijke selectie hierbij spelen. Subdomein: Invloed van de mens op ecosystemen* De kandidaat kan 167. aan de hand van modellen de gevolgen uitleggen van de invloed die de mens kan hebben op een ecosysteem door:
- het toevoegen van elementen (overbemesting, eutrofiëring, beheersen van de waterstand, accumulatie van stoffen in voedselketens);
- onttrekken van elementen (uitroeien van soorten, kaalkap, verdroging);
- veranderen van elementen (monocultures: plagen).
168. aangeven dat voor het vaststellen van normen de draagkracht van een ecosysteem en de genenpool criteria zijn.
NATUURKUNDE
Domein B: Elektriciteit en magnetisme Subdomein: Elektrische stroom De kandidaat kan 3. het vermogen en het rendement van energieomzettingen in een elektrische kring berekenen:
- elektrische energie;
- warmteontwikkeling;
- kWh-meter.
4. proeven doen met elektrische schakelingen:
- onderzoek naar de invloed van licht en van temperatuur op componenten;
- meting van stroom, spanning en weerstand.
Domein C: Mechanica Subdomein: Arbeid en energie De kandidaat kan 27. het begrip arbeid toepassen bij energie-omzettingen:
- arbeid door de zwaartekracht;
- negatieve arbeid van wrijvingskracht en warmteontwikkeling;
- de arbeid van een kracht bepalen uit een kracht-verplaatsingsdiagram.
28. de wet van behoud van energie toepassen:
- de energiebalans van een systeem;
- aangeven van energievormen;
- bewegingsenergie, zwaarte-energie, veerenergie;
- snelheid, kracht en verplaatsing berekenen;
- periodieke bewegingen verklaren: slinger, trilling tussen veren, stuiteren zonder wrijving.
29. berekenen hoeveel energie wordt omgezet in warmte bij verplaatsingen:
- energie per tijd en energie per afstand;
- optrekken en afremmen in stadsverkeer;
- verband tussen maximumsnelheid en brandstofverbruik;
- rendement van motor en vorm van het voertuig;
- totale warmteafgifte aan het milieu.
Domein D: Warmteleer Subdomein: Thermische processen De kandidaat kan 43. de hoeveelheid warmte berekenen die bij verwarming en afkoeling wordt uitgewisseld tussen systemen:
- soortelijke warmte, warmtecapaciteit;
- verbrandingswarmte;
- warmteopslag.
44. de verschillende vormen van energietransport beschrijven en uitleggen hoe energieverlies kan worden beperkt:
- geleiding, stroming, straling;
- isolatie;
- afvalwarmte.
SCHEIKUNDE
Domein C: Koolstofchemie Subdomein: Andere toepassingen van koolstofverbindingen De kandidaat kan 33. de vorming van fossiele brandstoffen beschrijven als een proces waarbij energie wordt opgeslagen van plantaardige en dierlijke oorsprong en de tijdschaal van de vorming in vergelijking met die van het verbruik aangeven:
- steenkool;
- aardolie;
- aardgas.
34. alternatieve brandstoffen noemen:
- methanol en ethanol;
- biogas;
- waterstof.
35. de voor- en nadelen van het gebruik van de in de eindtermen 33 en 34 genoemde brandstoffen beargumenteren:
- toepassingen;
- milieu;
- winning;
- opslag en transport.
36. de invloed van de toepassing van fossiele en alternatieve brandstoffen op het koolstofdioxidegehalte van de atmosfeer aangeven:
- mogelijke invloed op het broeikaseffect.
37. de begrippen volledige en onvolledige verbranding onderscheiden en de consequenties voor het milieu van beide aangeven:
- uitstoot van koolstofdioxide;
- NOx;
- koolstofmono-oxide;
- roet;
- onverbrande koolwaterstoffen.
38. aardolie en steenkool noemen als bron van brandstoffen en aardolie als leverancier van grondstoffen voor chemische producten. 39. argumenten aangeven die een rol spelen bij de keuze om aardolie te gebruiken als brandstof dan wel als grondstof voor chemische producten
volgende pagina vorige pagina terug naar Leerlijn
|