Leerlijn klimaat en duurzame energie  
Theoretisch kader


THEORETISCH KADER

Aspecten van leren?
In het onderwijs groeien de leerlingen naar hogere niveaus van omgaan met kennis. Hierbij is het noodzakelijk dat de leerlingen eerst de basisniveaus van kennis vergaren, om vervolgens met de kennis 'te kunnen spelen'. In figuur 1 is de longitudinale opbouw van vaardigheden aangegeven waaraan een thematische leerlijn zich kan spiegelen.

Figuur 1: schematische weergave van de longitudinale opbouw van ontwikkelen van kennis en vaardigheden


Uit figuur 1 komt naar voren dat leerlingen eerst moeten leren waarnemen en een thema moeten leren kennen alvorens zij echt kunnen gaan verkennen hoe het werkt. Als leerlingen in het VO systemen moeten begrijpen en met dilemma's moeten leren omgaan, is het noodzakelijk dat zij eerst de basis hebben ontwikkeld waar het onderwerp over gaat. Met water is goed te illustreren dat een kind eerst met water moet spelen en ervaren dat zijn zandkastelen door een golf water wegspoelen en leren begrijpen dat kikkervisjes zonder water niet overleven. Daarna komt het begrip voor het watersysteem (waarbij inzicht ontstaat dat water in verschillende vormen verschijnt en dat al die vormen van water samen een systeem vormen), dat veel theoretischer is.

In het ontwikkelen van kennis en vaardigheden geldt echter dat het een continu proces is. In figuur 1 is een lineair 'trappetje' aangegeven. De wijze waarop dat leren plaatsvindt, is echter niet lineair maar is meer een continu, cyclisch proces. Dit is door Kolb als volgt weergegeven (zie figuur 2):

Figuur 2: leercirkel van Kolb


In iedere stap van het leren doorloopt de lerende de stappen van ervaren, doen, observeren, bezinnen, doordenken, kiezen, weer ervaren en doen, etc. En wordt tevens beter aangesloten bij de verschillende leerstijlen die mensen hebben. Figuur 1 en 2 zijn daarmee complementair aan elkaar. Kolb geeft aan hoe de lerende als in een spiraal steeds verder komt in het leren. Het leertrappetje is meer een abstracte benadering van de niveaus die de lerende bereikt. In dit theoretische kader zijn beide aangegeven om inzicht te verschaffen in de leerprocessen waar de leerlijn op aansluit.

Leerdoelen
Hoofddoel van leren is dat leerlingen iets gaan kennen of kunnen.

Leerdoelen kunnen we in vijf categorieën verdelen, te weten:

  1. Kennis. De leerlingen moeten iets weten, kennen, benoemen, omschrijven, voorbeelden kunnen geven, etc.
  2. Inzicht. De leerlingen moeten iets kunnen verklaren of beredeneren, vergelijkende verbanden leggen, in relatie brengen met andere onderwerpen, vooruitdenken of voorspellen.
  3. Toepassing. De leerlingen hebben praktijkervaring opgedaan met de aangeleerde kennis, bijvoorbeeld een gezonde maaltijd samenstellen met behulp van de voedingswijzer, kunnen een kozijn timmeren, een interview houden.
  4. Vaardigheden. Hiermee worden algemene vaardigheden bedoeld die los staan van het inhoudelijke onderwerp, bijvoorbeeld onderzoeksvaardigheden, presentatietechnieken en omgaan met moderne media.
  5. Attitude. Er is sprake van een attitude-doel als leerlingen zich een mening vormen over een bepaald onderwerp, nadenken over de gevolgen van eigen gedrag, zich bewust worden van een verschijnsel, iets bewust ervaren, etc.


De kerndoelen zijn zo ruim geformuleerd dat hier geen onderscheid tussen deze vijf categorieën gemaakt kan worden. Leren over water onderscheidt zich doordat de lessen naast kennis, inzicht en vaardigheden, vooral gericht zijn op het opdoen van ervaringen: het toepassen van kennis, inzicht en het ontwikkelen van een attitude.

Figuur 3: Attitudemodel naar Fishbein/Aizen


De combinatie van leren, zelf ontdekken en doen (kennis en ervaring) versterkt de waarde die u ergens al dan niet aan toekent. Die waarde is van invloed op concreet gedrag en vormt de basis voor uw opstelling, uw attitude.

Deze attitude of grondhouding, die ook voortkomt uit de wijze van leren, vormt mede de basis voor uiteindelijk gedrag. De overige invloeden die in de figuur als vraagtekens zijn weergegeven, spelen natuurlijk ook een rol. Dit kunnen financiële (beloning dan wel bestraffing van gedrag), sociale (met wie gaat u om, hoe gaan de buren ermee om), of omgevingsbepaalde (zijn er voorzieningen, hoe woon je) factoren zijn. Deze factoren tezamen bepalen uw concrete gedrag in uw situatie. Overigens zijn al de aangegeven vraagtekens stuk voor stuk ook weer onderhevig aan kennis en ervaring.

vorige pagina                         terug naar Leerlijn